Geprint vanhttps://www.tuinadvies.be/artikels/op_zoek_naar_de_mooiste_tuinen_deel_3

menu
Tuinadvies

https://www.tuinadvies.be   /    zondag 25 augustus 2019

Op zoek naar de mooiste tuinen langs de Côte d’Azur (deel 3)

Naar Menton
De stad Menton, met de stoptrein op ongeveer drie kwartier rijden vanuit Nice, lijkt meer een Italiaanse, dan een Franse stad.  Gelegen in een baai en door bergen beschermd tegen de koude oostenwinden is het zowat de warmste plaats aan de Rivièra, met gemiddeld 316 zonnige dagen per jaar en temperaturen die bijna nooit onder het vriespunt dalen.
Aangetrokken door dit zachte klimaat kwamen hier al sedert halfweg de 19de eeuw veel rijke Engelse families de winter doorbrengen.  Ooit waren het er wel 5000 en sommigen bouwden of kochten er villa’s en lieten er natuurlijk ook tuinen aanleggen.  Een aantal daarvan zijn steeds bewaard en onderhouden gebleven of min of meer weer in hun oude glorie hersteld en horen nu tot de grote toeristische trekpleisters van Menton.  Wij bezochten er twee van.

Links:  Het kleurrijke oude centrum vanaf de Boulevard De Garavan                    
Rechts:  het Parc Biovès, het centrum van de citroenfeesten in februari

Jardin Botanique Exotique du Val Rahmeh (1,1 ha)

Vanaf het station loopt de makkelijkste weg eigenlijk via de Avenue Verdun, waar ook het Parc Biovès ligt, links rond het Casino en dan volledig langs de haven.  Na een tweetal kilometer loopt links de Avenue Saint Jacques recht op de tuin uit.  Wij namen het moeilijke traject, dwars door de schilderachtige oude stad met de smalle trapstraatjes geflankeerd door huizen in allerlei warme kleuren van zacht geel tot diep roze, en volgden dan verder de Bvd. Garavan.  De uitzichten, vooral vanaf de begraafplaats zijn prachtig.  Ook ongeveer twee kilometer vanaf het centrum met de Basiliek Saint Michel loopt er rechts een smal grindpaadje steil bergaf naar de ingang.
De villa werd in 1905 eigendom van een Engelse lord, Percy Radcliff, een generaal en ex-gouverneur van Malta.  Hij liet er op de hellingen olijven, maar ook veel soorten exotische vruchten aanplanten, zoals Kiwi’s, avocado’s, bananen en enkele speciale citrussoorten, waaronder ook  Boeddha’s Hand, een citroen met bizar gevormde vruchten.  Enkele van de oude bomen sieren nu nog altijd de tuin.
Door een latere eigenares, Maybud Campbell, werd de collectie exoten nog verder aangevuld met soms effenaf tropische planten, die het daar op deze specifieke plaats met een zeer zacht microklimaat, opmerkelijk goed doen.  Door haar werd de tuin verder verfraaid en ook uitgebreid met het stuk grond aan de overkant van de weg, waar zich nu de vijver bevindt met tropische waterlelies. 
Wegens financiële problemen zag zij zich in 1966 genoodzaakt het landgoed te verkopen.  De Franse staat was kandidaat, waardoor het niet in handen viel van projectontwikkelaars die altijd wel azen op dergelijke unieke locaties.
Sedert 1967 is de tuin opengesteld voor het publiek.  Het is nu ook een proef- en kweekcentrum voor nieuwe en zeldzame uitheemse planten en de plantenlijst omvat nu zowat 1500 soorten.  Zelfs van een boom in de tuin, die vroeger voorkwam op de Paaseilanden en daar intussen uitgestorven is, de Sophora Toromiro, tracht men nu een kweekprogramma op te zetten om hem daar later weer te kunnen introduceren.

Het formele terras aan de achterkant van de villa is de enige plaats waar er wel symmetrie heerst, maar waar
 de planten toch nog hun gang mogen gaan.

De oprijlaan geflankeerd met reusachtig grote Phoenixpalmen, de Monstera deliciosa die zich breed ligt te etaleren over de toegangspoort en het hoekje met Bromelia’s en Hertshoornvarens tegen het huis, geven meteen al een idee van wat er ons verder wacht aan exotische planten.
Door de niveauverschillen hebben we steeds weer nieuwe en mooie uitzichten.  Aan de noordkant van het huis, op de terrassen waar vroeger olijven werden gekweekt is nu de cactus- en succulententuin met een zeer diverse verzameling Agaven, Euphorbia’s, Aloe’s, Aeoniums.  Interessant maar na onze bezoeken aan Eze en Monaco zijn we al erg verwend … .
Wat me wel steeds is bijgebleven, is het junglegevoel dat men krijgt wanneer men tussen de hoge vegetatie van de bostuin wandelt.  Omringd van armdikke en metershoge bamboesoorten, boomvarens, hoge palmen en  Ficusbomen met luchtwortels als  lianen, waant men zich eventjes in een tropisch regenwoud.
Fantastisch mooi is de natuurlijk uitziende vijver met de tropische waterlelies en de beplanting rondom.  Dat was mijn favoriete tuindeel.

Minder gunstig zijn volgens mij de openingsuren.  ’s Middags is de tuin gesloten gedurende drie uren en moeten bezoekers het domein verlaten, iets waarmee men zeker rekening moet houden als men een bezoek plant.  Een mogelijke uitwijkplaats, wanneer men er te vroeg of te laat aankomt, is het openbaar Parc du Pian, dat er net naast ligt.  Onder de eeuwenoude olijfbomen staan overal banken en met een goed boek of een meegebracht hapje kan men er wel een tijdje in alle rust doorbrengen.

Links en midden: De villa is rondom mooi aangekleed met de meest diverse planten.
Rechts:  Een Aristolochia Gigantea gedrapeerd over de balustrade van een hoger gelegen tuinterras.


De vijver met o.a. Lotus nelumbo, Victoria amazonica, Papyrus en een drijvend tapijt van Eichhornia crassipes

Jardin Serre de la Madone (6,3 ha)
Zowat 10 km ten noorden van Menton ligt een andere heel bekende tuin, Serre de la Madone, een tuin aangelegd door major Lawrence Johnston, eigenlijk een Amerikaan, die daarvoor al in de Cotswolds  de tuinen bij Hidcote Manor ontwierp.  Hier paste hij vooral een indeling in tuinkamers toe, een ontwerpmodel dat nieuw was in die tijd.
Omdat hij de winterperioden toch telkens aan de Côte d’Azur doorbracht, zocht en vond hij in 1924 een geschikte locatie langs de route de Gorbio om ook hier weer te starten met een tuin.
De tuin ligt op een helling en is, weer gebruik makend van het tuinkamermodel, een opeenvolging van beplante terrassen, verbonden met ruwe stenen trappen.  Het geheel lijkt mij, door de hoogteverschillen en de lage haagjes wel overzichtelijker dan Hidcote.

Het uitzicht op de villa vanaf de vijvers bij de koude kas.

Op strategische plaatsen werden er 12 waterreservoirs (totaal 1000 m3) geïnstalleerd met een waterleidingnet.  Er werden kilometers keermuren en trappen gemetseld. Er kwamen beelden, een koude en een verwarmde kas, vijvers en fonteinen en de tuin werd volgestouwd met speciale, zeldzame en vaak warmteminnende planten.
Pas in 1939 was zijn meesterwerk ongeveer af en moest de tuin al niet meer onder doen voor de Hanburytuinen in La  Mortola.  Op zijn hoogtepunt werkten er 12 tuiniers.    
L.  Johnston financierde in die tijd niet alleen plantenverzamelaars die hem aan nieuwe exotische planten hielpen voor zijn tuinen, maar hij ondernam zelf ook met dat doel reizen naar Peru, Zuid-Afrika en China. 
Vanaf 1945 bracht hij steeds meer tijd door in Menton en in 1948 nam de National Trust het beheer van Hidcote Manor over.

Na zijn dood in 1958 veranderde Serre de la Madone enkele keren van eigenaar en hoewel die nieuwe eigenaars zich wel bewust waren van de landschappelijke waarde ervan, werden de onderhoudsinspanningen stelselmatig afgebouwd.  Tot in 1990 het landgoed op een lijst kwam van historische monumenten en zowat herontdekt werd.  De stad Menton, meegefinancierd door een aantal organisaties en stichtingen, startte vanaf 2000 een restauratieprogramma waarbij zoveel mogelijk getracht wordt de tuin weer zijn elan te geven van weleer, en aan de hand van plantenlijsten, dagboeken en oude foto’s, te herstellen in de geest van zijn ontwerper.


Een rustieke pergola met Clematis armandii en Wisteria’s,  loopt over de hele breedte van de tuin

Zoals bij veel tuinen langs de Franse Rivièra die ontworpen werden voor de daar overwinterende buitenlanders, ligt  de klemtoon vooral op het gebruik van planten die bloeien in de herfst en het prille voorjaar.  Dit is dus ook hier het geval en een bezoek in de lente is dus meer aangewezen.  Niettemin blijft het een tuin waar men wel een paar uurtjes kan in rondstruinen.  Door de steeds wisselende uitzichten en verborgen hoekjes, de contrasten in bladstructuren met af en toe nog een kleurige bloeier ertussen ,  afwisselend zonnige plaatsen en plaatsen met diepe schaduw … of het gebruik van de okerkleur voor alle bouwsels in de tuin, blijft een bezoek aan deze tuin, evengoed nog in augustus een feest voor al wie van een tuin meer verwacht dan een grasmatje met een haag rond.

Iedere bezoeker zal wel weer iets anders mooi of knap bedacht vinden en een persoonlijke voorkeur hebben.  Mijn top vijf daar zijn zeker de Spaans-Moorse tuin en de aangrenzende belvedère uiteraard voor het uitzicht, de warme kas met ervoor een grote formele vijver en de terrassen  beplant met indrukwekkende partijen  Agapanthus,  Amarylis Belladonna of met Chasmanthe.
Een minpunt is dan weer de verzorging en de zin voor afwerking.  Er is nog steeds veel restauratie-  en renovatiewerk te doen.  In het perspectief gezien van de toestand waarin de tuin zich bevond in 1999 is dit begrijpelijk maar het is nu ook The Lost Garden of Helligan niet.  Daar ging het vlugger.

Er is een geregelde busverbinding vanaf het station (lijn 7 rijdt naar Gorbio en stopt aan de tuin).  De toegangsprijs bedraagt 8 € pp., te betalen in het winkeltje aan de ingang.   Buiten een glas water moet men er noch aangename verfrissingen noch lekkere hapjes verwachten.   Nog een minpuntje dus.


De verwarmde kas waar ’s winters de meest koudegevoelige planten worden onder gebracht met ervoor de formele vijvers


Links: Doorkijk naar de villa onderweg naar de belvédère Terrassen vol Agapanthus       
Rechts: De warme kas vanaf de belvédère naast de villa


Boven:  geïnspireerd door de tuinen van het Alhambra in Granada:  De Spaans-Moorse tuin
Onder: vlnr.Brachychiton acerifolium, Hedychium, Tibouchina en Alstroemeria bloeien o.a. nog in augustus

De Villa Ephrussi de Rotschild in Saint-Jean-Cap-Ferrat ( 7 ha )

Deze unieke tuin, misschien wel de mooiste, en zeker de best verzorgde van de hele Côte d’Azur,hebben we te danken aan barones Béatrice de Rotschild.  Om mij voor te bereiden op het bezoek aan de tuin deed ik vooraf wat opzoekingwerk en heel haar levensloop leest als een roman.
Zij was een telg uit een schatrijke bankiersfamilie en een gepassioneerd liefhebster van mooie architectuur en kunst, van de natuur en ook van grootse feesten en recepties.  Vier aanleidingen voor haar voor de bouw van een groot palazzo in Venetiaanse stijl.
Het was in 1905 en de superrijken haastten zich om stukken grond te verwerven langs die landschappelijk prachtige kust met zijn zacht klimaat, om er zich permanent te vestigen of om er de winters door te brengen.  Vooral Cap Ferrat was zeer gegeerd.  De Belgische koning Leopold II kocht er zijn domein Les Cèdres en B. de Rotschild haar stek op de rug van dit rotsig schiereiland.


De villa met een deel van de lange formele vijver in de Frans-Creoolse tuin.

Zij was veeleisend en wist precies wat ze wou, een villa met rondom uitzicht op de zee en met een tuin die deed denken aan het dek van het reusachtig passagiersschip Île de France, waarmee zij reeds op cruise was meegevaren.  Zeven jaar en negen architecten later, was de villa af en kon worden volgestouwd met treinladingen … kunstvoorwerpen, van schilderijen en Vlaamse wandtapijten, antieke meubelen tot het fijnste Meissnerporcelein.
Ze organiseerde er geregeld  bals voor de happy few en in tegenstelling tot wat men zou verwachten, verbleef zij er niet zo vaak en slechts enkele jaren.  Haar belangstelling voor haar  Île de France, zoals ze haar villa noemde, vervaagde en ze bracht veel van haar tijd door aan de goktafels in Monaco.
Dat en nog  veel meer komt men, op een anekdotische manier te weten uit de audiogidsen bij het bezoek aan de villa zelf.  Deze is nu immers ingericht als een museum en wordt beheerd door de Académie des Beaux-Arts, waaraan ze bij haar overlijden ( 1934 ) het ganse domein met alle kunstschatten erin, schonk.


Het plan van de tuin met  de negen deeltuinen in verschillende kleuren, de aanbevolen wandelroute en
de mooiste uitzichtpunten.

Aan het ontwerp en de uitvoering van de tuin kwamen meerdere landschapsarchitecten te pas, maar de belangrijkste  was Achilles Duchêne, die  voor de aristocratie werkte over heel West-Europa.  De watertuin bij het landgoed Blenheim in de Cotswolds is bijvoorbeeld een van zijn ontwerpen.  Hij verwezenlijkte onder andere de Franse-,  de Italiaanse-, de Provençaalse- en de rozentuin.  Enorme volumes rotsen werden met springstoffen verwijderd en duizenden ton teelaarde  moesten opgevoerd worden om de terrassen te creëren zoals  ze nu zijn.
De barones zelf liet zich hierbij ook niet onbetuigd en liet haar bedienden voorzien van grote kartonnen bomen door de tuin laveren om vanuit de loggia de meest geschikte plantplaats te bepalen… .
Zij kocht soms zelfs bomen van die omvang dat er een span met zes krachtige paarden nodig was om ze te vervoeren.

Op het einde van haar leven raakte de tuin in verval.  Landschapsarchitect en kunstschilder Louis Marchand heeft toen, in twee perioden, voor en na de tweede wereldoorlog, de tuin niet alleen gerenoveerd maar nieuw leven ingeblazen, gered als het ware.
De Franse tuin onderging een grondige vernieuwing en het lapidarium, de Japanse tuin en de Mexicaanse tuin waren zijn ideeën.  De intieme en zeer mooie patio in Spaans-Moorse stijl, dateert zelfs van nog veel later (2003)

Net zoals 1985 met zijn uitzonderlijk koude winter een rampjaar was voor de cactustuin in Monaco, zo was  er toen ook hier veel vorstschade omdat de tuinen, bovenop die heuvelrug, tamelijk onbeschut liggen    Praktisch de volledige Mexicaanse tuin moest heraangeplant worden.
Veel van de nieuwe grote planten kwamen dan uit de collecties van een andere toptuin, namelijk Les Cèdres, ook op Cap Ferrat, waar veel planten iedere winter afgedekt worden of in kassen gehouden worden.  Deze tuin is nu eigendom van de Société des Produits Marnier-Lapostolle (likeurstokers).  Hij is wel te bezoeken, maar enkel voor groepen en op afspraak.


Links: het uitzicht op Villefranche vanuit de tuin                       
Rechts: Villa Kerylos aan de Bay des Fourmis

Ooit werd de tuin, in de tijd van de toch een beetje excentrieke barones, onderhouden door twintig tuiniers, keurig in marinepakken en met baretten met rode pompons.  Tegenwoordig zijn er dat nog acht, maar de tuin is piekfijn onderhouden.  Er wordt duidelijk geld aan besteed en dat kan ook gezien de grote aantallen bezoekers per dag.


Links: Acers, stenen lampen , stromend water en geharkt zand zorgen  voor de juiste sfeer in de Japanse tuin.
Rechts: Spiegelend water, welkome schaduw onder een prieel, weelderig  groen en kleuraccenten in de Spaanse tuin


De Frans-Creoolse tuin: Vanaf het tempeltje op de heuvel voedt een watertrap het lange kanaal dat eindigt bij een muzikale fontein die elke tien minuten in werking treedt.

De Jardin Villa Ephrussi de Rotschild is vlot bereikbaar met het openbaar vervoer vanuit Nice.
Men neemt de trein naar het station van Beaulieu (10 minuten) en daar buslijn 81 die stopt aan de tuin.  Wie graag wandelt kan dat stukje ook te voet doen.
De toegangsprijs is 13 € pp.  Een bezoek duurt toch wel minimum 2 uren.
In een van de vleugels van het palazzo is er een restaurant met een tamelijk uitgebreide menukaart.  Voor een snelle hap of enkel een drankje keert men beter terug naar Beaulieu of naar Villefranche.

Lees ook de delen 1 en 2 van:  Tuinen langs de Côte d’Azur

#5065

Auteur: Joël De Coster
www.tuinadvies.be/tuin/132411/jdcoster