Geprint vanhttps://www.tuinadvies.be/artikels/fruit_compost

menu
Tuinadvies

https://www.tuinadvies.be   /    maandag 17 juni 2019

Fruitbomen en het toedienen van compost

Fruit en het gebruik van compost.

In tegenstelling tot groenten, hebben de meeste fruitsoorten een lage behoefte aan voedingsstoffen. In het voorjaar zijn er voedingsstoffen nodig voor scheutgroei en vruchtzetting. Teveel meststoffen verhogen echter de kans op rui ( het vallen van onrijpe vruchten) en op wilde scheutgroei. Ook in de zomer kan een overschot aan meststoffen nadelig werken voor het vormen van de knoppen en voor de rijping, kleuring en kwaliteit van het fruit.

Net zoals rozen blijken veel fruitbomen gevoelig voor ziekten en parasieten. Opnieuw ligt de sleutel van het succes in de keuze van een juiste standplaats (zonnig en niet te winderig), een geschikte variëteit en een juiste zorg voor de bodem. Wie de gifspuit en veel zorgen wil mijden, kiest best voor oude of resistente fruitrassen. De bewaarbaarheid van het fruit is misschien iets minder, de smaak des te beter.

Fruitbomen gedijen het best op een humusrijke, goed bemeste en niet te zure bodem. Kersen stellen de hoogste eisen aan de bodem, pruimen zijn sneller tevreden. Zeker op zware leem- en kleigronden en op zandgronden kan best, voor het planten, flink wat humus worden toegevoegd onder de vorm van compost. Voor hoogstamfruitbomen maakt men plantputten van 40 cm diepte met een diameter van 1 tot 1,5 meter. Te diepe putten veroorzaken verzakkingen. Uitgerafelde of gekwetste wortels worden met een scherpe snoeischaar verwijderd, waardoor de vorming van jonge en nieuwe zuighaartjes bevorderd wordt.
Na het planten mag rond de stam wat compost of stalmest worden uitgestrooid. Ook in de daaropvolgende jaren kan in de herfst rond de stam compost worden gestrooid.

Voor laagstambomen is het belangrijk dat bij het planten de oculatieplaats (waar de bovenstam op de onderstam is geënt) minstens 10cm boven de grond uitsteekt, zoniet is er het risico dat de bovenstam zelf rechtstreeks wortels zal gaan vormen. Het is best om direct bij het planten een boompaal te zetten. De paal moet aan de windzijde van de boom staan, in de meeste tuinen is dat de zuidwestkant.

Tijdens de eerste jaren hou je best een cirkel van ongeveer 1 meter diameter rond de stam gras- en onkruidvrij. Bij hoo gstammen is een boomcirkel na enkele jaren niet langer noodzakelijk. Laagstammen die gekweekt worden op zwakgroeiende onderstammen, hebben wel sneller last van de concurrentie van een onderbegroeiing. Je kan onderbegroeiing grotendeels uitschakelen door de nodige oppervlakte af te dekken met grove compost of grasmaaisel. Een mulchlaag van compost absorbeert bovendien in de lentemaanden voldoende warmte tijdens de dag, waardoor het risico op bloesemschade door nachtvorst verkleint. Mulchlagen opgebouwd uit droger en lichter gekleurd materiaal worden in de lentemaanden best vermeden.
 

 
#377

Bron: VLACO